Sociaal Compendium Arbeidsrecht - Corpus - Arbeidsbescherming - Gelijke behandeling - Gelijke behandeling en het verbod van discriminatie in het algemeen - De Antidiscriminatiewet 2007 - Rechtsbescherming

 

2308 Bescherming bij klacht, vordering of getuigenverklaring 

(art. 16 en 17 Antidiscriminatiewet 2007 - W) 

De Antidiscriminatiewet 2007 beschermt personen door of ten voordele van wie een klacht is ingediend of een vordering is ingesteld wegens schending ervan, tegen represaillemaatregelen omwille van de klacht of de vordering. De wet bevat op dit vlak een algemene regeling (art. 16 W) en een bijzondere regeling voor het geval van klachten op het vlak van de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen van de sociale zekerheid (art. 17 W). Enkel de bijzondere regeling wordt hierna vermeld. 

Wanneer een klacht wordt ingediend door of ten voordele van een persoon wegens een schending van de Antidiscriminatiewet 2007 op het vlak van de arbeidsbetrekkingen, mag de werkgever geen nadelige maatregel treffen ten aanzien van deze persoon, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht. 

Dit verbod op represaillemaatregelen is ook toepassing op andere personen dan werkgevers die personen in de arbeidsbetrekkingen tewerkstellen of opdrachten bezorgen. 

Onder nadelige maatregel wordt onder meer begrepen: de beëindiging van de arbeidsbetrekking, de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden of de nadelige maatregel getroffen na de beëindiging van de arbeidsbetrekking. 

Onder klacht wordt begrepen:

  • een met redenen omklede klacht ingediend door de betrokkene op het vlak van de onderneming of de dienst die hem tewerkstelt, overeenkomstig de van kracht zijnde procedures;
  • een met redenen omklede klacht ingediend door de directie-generaal Toezicht op de Sociale Wetten bij de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, ten voordele van de betrokkene, tegenover de onderneming of de dienst die hem tewerkstelt;
  • een met redenen omklede klacht ingediend ten voordele van de betrokkene door een belangenvereniging of door het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (Unia) bij de onderneming of de dienst die hem tewerkstelt;
  • een rechtsvordering ingesteld door de betrokkene;
  • een rechtsvordering ingesteld ten voordele van de betrokkene door een belangenvereniging of door het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (Unia). 

Een klacht zoals bedoeld in het eerste tot derde gedachtestreepje moet bestaan uit een gedateerde, ondertekende en bij ter post ter kennis gebrachte aangetekende brief waarin de grieven ten aanzien van de dader van de vermeende discriminatie worden uiteengezet.

Wanneer ten aanzien van een werkneemster die vast besloten is de hoofddoek op het werk te blijven dragen, niettegenstaande zulks door het arbeidsreglement verboden is, en die in deze context een klacht wegens discriminatie op grond van geloof heeft ingediend, door de werkgever een ontslagprocedure wordt gestart, kan de rechter in kort geding bij wijze van dringende en voorlopige maatregel de schorsing van de lopende ontslagprocedure bevelen. Wanneer de arbeidsovereenkomst al beëindigd werd door de werkgever, is de rechter in kort geding daarentegen niet bevoegd. Hij kan het ontslag niet ongedaan maken (Arbh. Brussel 7 mei 2015, JTT 2015, afl. 1225, 344). 

Wanneer de werkgever een nadelige maatregel treft ten aanzien van de betrokkene binnen 12 maanden na het indienen van de klacht, valt de bewijslast dat de nadelige maatregel werd getroffen om redenen die vreemd zijn aan de klacht, ten laste van diegene tegen wie de klacht is ingediend. Indien een rechtsvordering door of ten voordele van de betrokkene werd ingesteld, wordt de hierboven bedoelde periode verlengd tot 3 maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden. 

Wanneer de werkgever een nadelige maatregel treft ten aanzien van de betrokkene in strijd met het verbod, verzoekt deze persoon of de belangenvereniging waarbij hij is aangesloten, hem opnieuw in de onderneming of de dienst op te nemen of hem zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te laten uitoefenen. 

Het verzoek wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief binnen 30 dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging zonder opzegging of van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De werkgever moet zich binnen 30 dagen volgend op de kennisgeving van het verzoek uitspreken. De werkgever die de persoon opnieuw in de onderneming of in de dienst opneemt of hem zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen laat uitoefenen, moet de wegens ontslag of wijziging van de arbeidsvoorwaarden gederfde beloning betalen alsmede de werkgevers- en werknemersbijdragen betreffende deze beloning storten. Deze regeling is niet van toepassing wanneer de nadelige maatregel wordt getroffen nadat de arbeidsbetrekking een einde heeft genomen. 

Wanneer de betrokkene na het verzoek niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder dezelfde voorwaarden als voorheen kan uitoefenen en er geoordeeld werd dat de nadelige maatregel in strijd is met het verbod op represaillemaatregelen, moet de werkgever aan de betrokkene een vergoeding betalen die, naar keuze van die persoon, gelijk is:

  • hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met de brutobeloning voor 6 maanden;
  • hetzij aan de werkelijk door de betrokkene geleden schade.  

Het recht op vergoeding van de werknemer die wordt ontslagen wegens het niet-naleven van een verbod van de werkgever dat een niet-toegelaten discriminatie inhoudt, kan niet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de schuld van de werkgever wordt aangetoond en dat geen enkele door het toepasselijk nationale recht erkende rechtvaardigingsgrond bestaat (Cass. 9 oktober 2017, S.120062.N, JLMB 2018, afl. 3, 118 noot F. KÉFER en R. LINGUELET, in een zaak waarin een moslima werd ontslagen omdat zij voornemens was ook tijdens de werkuren een hoofddoek te dragen en de werknemer aanvoerde dat hij juridisch niet kon uitmaken of dit al dan niet rechtmatig was). 

Wanneer de betrokkene kiest voor een bedrag dat overeenstemt met de werkelijke geleden, moet hij de omvang van de geleden schade bewijzen. 

De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen, zonder dat de persoon of de belangenvereniging waarbij hij is aangesloten het verzoek moet indienen om opnieuw te worden opgenomen in de onderneming of de dienst of zijn functie onder dezelfde voorwaarden als voorheen te kunnen uitoefenen:

  • wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van discriminatie, die het voorwerp uitmaakten van de klacht, bewezen heeft geacht;
  • wanneer de betrokkene de arbeidsbetrekking beëindigt, omdat het gedrag van de werkgever in strijd is met het verbod op represaillemaatregelen, wat volgens de betrokkene een reden is om de arbeidsbetrekking zonder opzegging of vóór het verstrijken ervan te beëindigen; 

Hieronder vallen wellicht het ontslag om dringende reden door de werknemer en het inroepen van contractbreuk door de werknemer wegens een ongeoorloofde eenzijdige wijziging van een essentieel element van de arbeidsovereenkomst. Het is vreemd dat de wet m.b.t. die hypothese niet uitdrukkelijk bepaalt dat het bevoegde rechtscollege die beëindiging gegrond moet verklaren (A. WITTERS en I. VERHELST, “Nieuwe discriminatieregels in arbeidszaken”, Or. 2007, 181).

  • wanneer de werkgever de arbeidsbetrekking heeft beëindigd om dringende redenen, op voorwaarde dat het bevoegde rechtscollege deze beëindiging ongegrond en in strijd met het verbod op represaillemaatregelen heeft geacht. 

Wanneer de nadelige maatregel wordt getroffen nadat de arbeidsbetrekking beëindigd werd, en deze maatregel in strijd wordt bevonden met het verbod op represaillemaatregelen, dient de werkgever de hierboven vermelde schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer. 

De bescherming tegen represaillemaatregelen is eveneens van toepassing op de personen die optreden als getuige doordat zij, in het kader van het onderzoek van de bedoelde klacht, in een ondertekend en gedateerd document de feiten die zij zelf hebben gezien of gehoord en die betrekking hebben op de toestand die het voorwerp is van de klacht, ter kennis brengen van de persoon bij wie de klacht wordt ingediend, of doordat zij optreden als getuige in rechte. 

Er zijn geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd op de vergoeding voorzien in artikel 17 van de Antidiscriminatiewet 2007 bij schending van de bescherming tegen represaillemaatregelen (zie Sociaal Compendium Socialezekerheidsrecht 2018-2019, nr. 684). De vergoeding wordt belast als een “opzeggingsvergoeding” (art. 31 3° WIB 1992; Com.IB nr. 31/18.3 en 171/270, naar analogie; zie i.v.m. nr. 4938).

 

>