Sociaal compendium arbeidsrecht - Corpus - Arbeidsbescherming - Arbeidsduur - Begrip arbeidsduur - Algemeen - Toepassingen - Wachtdiensten

1627 Wachtdiensten met verplichte aanwezigheid
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten de wachtdiensten die de werknemer verricht volgens het stelsel van fysieke aanwezigheid in de instelling van de werkgever in hun geheel als arbeidstijd in de zin van de richtlijn 93/104 van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de arbeidstijd(1) , worden beschouwd, ongeacht de daadwerkelijke arbeidsprestaties van de betrokkene gedurende die wachtdiensten (HvJ 3 oktober 2000 (Simap), JLMB 2001 (samenvatting), 760, noot M. BONNAMOUR; HvJ 9 september 2003 (Jaeger), JTT 2004, 425 en T.Gez. 2003-04, 231, noot J.M. WOLTER; HvJ 5 oktober 2004 (Pfeiffer), SEW 2005, 95 (weergave), noot S. PRECHAL; HvJ 1 december 2005 (Dellas), concl. D. RUIZ-JARABO COLOMER; HvJ 11 januari 2007 (Vorel), JTT 2007, 197, dat eraan toevoegt dat de richtlijn 93/104 en de Arbeidstijdrichtlijn 2003/88 zich in principe niet verzetten tegen een nationale regelgeving waarbij de uren wachttijd die effectief worden gepresteerd anders worden vergoed dan die waarin geen effectieve arbeid wordt verricht).

Naar aanleiding van de bovenvermelde arresten van het Hof van Justitie werd reeds meermaals geoordeeld dat KB’s, cao’s en contractuele bedingen die de arbeidsduur voor slapende wachtdiensten forfaitair bepalen, in strijd zijn met het wettelijk begrip arbeidsduur. Volgens die zienswijze moet, rekening houdend met de Europese richtlijn, het begrip arbeidsduur in artikel 19 tweede lid van de Arbeidswet in die zin geïnterpreteerd worden dat het het volledige tijdsbestek van de (slapende) wachtdienst behelst (Arbh. Luik 25 februari 2004, JTT 2004, 433; Arbh. Bergen 21 februari 2005, JLMB 2005, 1291; Arbh. Bergen 21 maart 2005, JTT 2005, 453; Arbh. Luik 23 juni 2008, JTT 2008, afl. 1018, 385; Arbh. Brussel 18 december 2014, JTT 2015, afl. 1214, 153; zie ook: Arbh. Antwerpen 22 maart 2005, JTT 2005, 419 m.b.t. een jeugdwerker-straathoekwerker die een groep jongeren ononderbroken begeleidt tijdens een uitwisselingsreis in Marokko en Luik 5 juni 2012, JLMB 2013, afl. 23, 1211, verklarende noot F. KÉFER, m.b.t. vrijwillige brandweerlieden).

Kéfer en Clesse wijzen er evenwel op dat, in het bijzonder rekening houdend met het arrest van het Hof van Justitie van 1 december 2005 in de zaak Dellas, die zienswijze niet aangehouden kan worden. Het begrip arbeidsduur in de zin van de richtlijn mag namelijk niet los beschouwd worden van de wekelijkse maximumgrens van 48 uur die diezelfde richtlijn oplegt. Belgische cao’s en KB’s die op forfaitaire wijze de arbeidstijd bepalen, zijn niet in strijd met het Europees recht als het totaal van de tijd besteed aan effectieve prestaties en de uren van fysieke aanwezigheid op een door de werkgever aangewezen plaats zonder echt te werken, de Europese arbeidstijdgrens van 48 uren per week niet overschrijdt (F. KÉFER en J. CLESSE, “Le temps de garde inactif, entre le temps de travail et le temps de repos”, Rev.dr.ULg 2006, 165-166).

Een ander aspect van de problematiek betreft de vergoeding van de wachtdiensten met fysieke aanwezigheid op de arbeidsplaats. Het arbeidshof te Luik besliste dat de wachtdiensten volledig, ‘slapende perioden’ inbegrepen, moeten vergoed worden (Arbh. Luik 25 februari 2004, JTT 2004, 433; zie ook: Arbh. Brussel 18 december 2014, JTT 2015, afl. 1214, 153). Volgens dat arbeidshof moeten de betrokken werknemers worden beschouwd als aan het werk te zijn (Arbh. Luik 14 november 2007, JTT 2008, 72). Datzelfde arbeidshof verklaarde een bepaling van een bijlage bij de arbeidsovereenkomst, overeenkomstig dewelke de 'slapende perioden' niet vergoed moeten worden, nietig met toepassing van artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Een dergelijke bepaling is strijdig met artikel 20 3° van de Arbeidsovereenkomstenwet dat de werkgever verplicht loon te betalen voor de verrichte arbeid (Arbh. Luik 19 december 2007, Soc.Kron. 2008, afl. 5, 288).


Maar er moet rekening mee worden gehouden dat de Europese richtlijn betreffende een aantal aspecten van de arbeidstijd niet van toepassing is op het loon van de werknemers (HvJ 1 december 2005 (Dellas), concl. D. RUIZ-JARABO COLOMER; HvJ nr. C-518/15, 21 februari 2018 (Stad Nijvel), punt 24, JTT 2018, afl. 1310, 241, noot F. LAMBINET en S. GILSON). De richtlijn heeft als oogmerk de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers en heeft geen financiële draagwijdte (F. KÉFER en J. CLESSE, “Le temps de garde inactif, entre le temps de travail et le temps de repos”, Rev.dr.ULg 2006, 166). Dat betekent dat de overschrijding van de Europese 48-urengrens die toe te schrijven is aan het feit dat de werknemer fysiek aanwezig moet blijven op een plaats die door de werkgever wordt aangewezen, op zich geen verplichting meebrengt die uren op dezelfde manier te betalen als gewerkte uren. De uren van de wachtdienst die niet gepaard gaan met effectieve arbeidsprestaties mogen op een andere manier bezoldigd worden dan uren waarin wel effectieve arbeidsprestaties worden verricht (Arbh. Luik (afd. Namen) 3 december 2007), Soc.Kron. 2009, afl. 1, 36). Maar een regeling die in een andere beloningswijze voorziet, is maar geldig indien die regeling de hiërarchie van de rechtsbronnen eerbiedigt (Arbh. Luik 23 juni 2008, JTT 2008, afl. 1018, 385; Arbh. Brussel 6 april 2016, JTT 2016, afl. 1256, 363).


(1) Ingevolge wijzigingen die aan deze richtlijn werden aangebracht, diende tot codificatie te worden overgegaan. De actueel geldende richtlijn is richtlijn 2003/88/EG van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de arbeidstijd.

 

 

>