Sociaal Compendium Arbeidsrecht -Corpus - Arbeidsmarktrecht - Tewerkstelling in België met een buitenlands element

 

  

1015

Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (W) 

KB van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (KB)

 

1016 Bevoegde overheid 

Lit.: VANPRAET, J., “De bevoegdheidsverdeling inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten na de zesde staatshervorming” in H. VERSCHUEREN (ed.), Migratie- en migrantenrecht. Deel 15. Ontwikkelingen in het Europees, Belgisch en Vlaams arbeidsmigratierecht, Brugge, Die Keure, 2014, 3-30. 

Met ingang van 1 juli 2014 is de bevoegdheid voor de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten (met uitzondering van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen) overgegaan van de federale overheid naar de gewesten. D.w.z. dat de gewesten bevoegd zijn voor de regelgeving, de toepassing, de controle en de handhaving van de arbeidskaarten A en B. 

Dit betekent dat met ingang van 1 juli 2014 naargelang van het gewest andere normen kunnen gelden wat betreft de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Er werden regionale wijzigingen aangebracht in de bestaande federale wetten. 

Voor de arbeidskaart die wordt afgeleverd in functie van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken persoon (de arbeidskaart C) is de federale overheid bevoegd gebleven voor de regelgeving en zijn de gewesten nog steeds bevoegd voor de toepassing van de normen. 

Zie hierover ook nr. 105. 

Zie wat in het bijzonder de bevoegdheid m.b.t. het toezicht en de controle betreft nr. 1045.

 

 

>