Sociaal Compendium Arbeidsrecht - Corpus - Mobiliteit van de werknemer

 

 

Hoofdstuk II. Mobiliteitsvergoeding

 

2951 Wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding (W)

 

2952 Beginsel 

Sinds 1 januari 2018 kan een werknemer zijn bedrijfswagen die hem ter beschikking wordt gesteld voor persoonlijk gebruik, inleveren en in ruil daarvoor een mobiliteitsvergoeding ontvangen. Op het bedrag dat de werknemer ontvangt, zijn bijzondere regels van toepassing op het vlak van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit.

 

Bedrijfswagens worden doorgaans multifunctioneel gebruikt nl. zowel voor beroepsmatige verplaatsingen, als voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling en voor privéverplaatsingen. De bedoeling van de regeling is een deel van het gebruik van de bedrijfswagen – nl. het privégebruik en de woon-werkverplaatsingen – om te zetten in een mobiliteitsvergoeding. Het doel is de werknemers (en de werkgevers) ertoe aan te zetten minder gebruik te maken van de wagen in het verkeer (MvT Wetsontwerp betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, Parl.St., Kamer 2017-2018, nr. 54 2838/001, p. 7 en p. 10). 

 

Onder bedrijfswagen moet worden verstaan het in artikel 65 van het WIB 1992 gedefinieerde voertuig, dat door de werkgever, rechtstreeks of onrechtstreeks, al dan niet kosteloos, aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld voor persoonlijk gebruik (art. 3 eerste lid 1° W). 

 

Wordt geacht ter beschikking te zijn gesteld voor persoonlijk gebruik, het voertuig, dat op naam van de werkgever is ingeschreven of het voorwerp uitmaakt van een op naam van de werkgever gesloten huur- of leasingovereenkomst of van gelijk welke andere gebruiksovereenkomst, dat voor andere dan loutere beroepsdoeleinden wordt gebruikt en waarvoor voor de werknemer een voordeel van alle aard wordt bepaald overeenkomstig artikel 36 van WIB 1992 (zie nr. 1233) en waarvoor door de werkgever een solidariteitsbijdrage verschuldigd is (zie Sociaal Compendium Socialezekerheidsrecht 2018-2019, nr. 1233) (art. 3 tweede lid W). 

 

Het gebruik voor beroepsdoeleinden is daarentegen het gebruik van de bedrijfswagen om de overeengekomen arbeid uit te voeren, met uitsluiting van de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling en de zuivere privéverplaatsingen (art. 3 eerste lid 4° W).

 

De wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding bevat een aantal bijzondere regels over de weinig voorkomende hypothese waarin de werknemer over meerdere bedrijfswagens beschikt bij dezelfde werkgever. Die bijzondere regels worden hieronder niet vermeld. 

 

>