Sociaal Compendium Arbeidsrecht - Corpus - Loon, kosten, financiële participatie en resultaatsgebonden voordelen - Begrip loon en recht op loon - Recht op loon - Algemeen

 

2509 Voorbehoud van de werkgever 

Dat voordelen, toegekend als tegenprestatie van de arbeid, verricht ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst loon zijn, betekent niet dat de werkgever die voordelen altijd blijvend moet toekennen. Wanneer de partijen overeenkomen dat de toekenning van bepaalde voordelen tijdens de arbeidsovereenkomst, voor de werkgever geen verplichting inhoudt zulke voordelen ook in de toekomst toe te kennen, kan de werknemer daarop geen verworven recht voor de toekomst doen gelden. Zulk beding heeft echter niet tot gevolg dat de voordelen die de werkgever werkelijk reeds aan de werknemer heeft toegekend, geen loon zijn (Cass. 3 april 1978, RW 1977-78, 2441, concl. adv.-gen. H. LENAERTS; Cass. 18 september 2000, JTT 2000, 499). 

De werkgever die vrijwillig voordelen toekent, heeft dus het recht te voorkomen dat door herhaling voor zijn werknemers een verworven recht in het leven wordt geroepen. Een dergelijk voorbehoud kan op verschillende manieren worden geformuleerd. Het kan vooreerst uitdrukkelijk en van meet af aan gebeuren. Zo kan de werkgever bij het ten laste nemen van een bijdrage in een groepsverzekering terzelfder tijd bepalen dat hij zich het recht voorbehoudt om op elk ogenblik een einde te maken aan zijn deelname aan deze verzekering (Arbrb. Brussel 5 september 1988, JTT 1989, 78). Een dergelijke clausule dient dan wel te worden ingevoerd op het ogenblik van het afsluiten van de groepsverzekering (Arbrb. Brussel 7 april 1995, JTT 1995, 369, noot). 

De verplichting om overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren, impliceert echter dat de werknemers geïnformeerd worden omtrent de vermindering of het verlies van de voordelen die zij genieten krachtens de groepsverzekering. Het tekortkomen aan deze verplichting tot informatieverstrekking is een fout die morele schade veroorzaakt, in de omstandigheden eigen aan de zaak geraamd op 75.000 fr. (Arbh. Luik 25 oktober 1995, RRD 1996, 122). 

De bepaling in een arbeidsovereenkomst dat premies vrijgevigheden zijn, betekent dat zij geen bron van een verbintenis voor de toekomst kunnen worden (Arbh. Brussel 28 november 1990, TSR 1991, 289). Maar ook in een later stadium kan de werkgever, bijvoorbeeld ondanks het bestaan van een gebruik bepaalde premies uit te keren, voorbehoud formuleren voor de toekomst, door de aard van vrijgevigheid te onderstrepen in een document dat uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt aanvaard door de werknemers. Een protest van de werknemers over die aard na het ontstaan van het recht om het bedrag van de premies te herleiden, dat de werkgever zelf heeft geschapen, is laattijdig (Arbh. Brussel 26 november 1985, JTT 1986, 164). Het voorbehoud kan ook impliciet worden bedongen. Het ontstaan van een gebruik kan aldus worden vermeden door de toekenning van een variabele jaarpremie, waarvan de werknemers het juiste bedrag niet kunnen begroten. Zulks is een impliciete maar zekere weigering van de werkgever om tot een contractuele premie te komen (Arbh. Brussel 28 mei 1986, TSR 1986, 389). 

Maar wanneer de algemene vergadering van een vennootschap zich er met een wijziging van de statuten toe verbonden heeft aan de werknemers een vast aandeel van 4 % in de winst toe te kennen voor een bepaald boekjaar en voor de daaropvolgende jaren, dan kan zij die toekenning niet eenzijdig afschaffen door een nieuwe statutenwijziging (Arbh. Brussel 22 juni 2010, Soc.Kron. 2011, afl. 1, 19). 

In een merkwaardig vonnis oordeelde de arbeidsrechtbank te Brussel in een geval waar het recht op een bonus voortvloeide uit een eenzijdige verbintenis van de werkgever, dat artikel 25 van de Arbeidsovereenkomstenwet dat bepaalt dat het beding waarbij de werkgever zich het recht voorbehoudt om de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen, verhindert dat de werkgever een zogenaamd “schenkingsbeding” inroept om de intrekking van zijn eenzijdige verbintenis te staven en de bonus niet langer toe te kennen (Arbrb. Brussel 26 oktober 2005, JTT 2006, afl. 937, 48).

Bij de afschaffing of de herleiding van een met voorbehoud toegekende premie moet de werkgever er alleen over waken het loon niet te laten dalen tot beneden het minimum van het barema (Arbh. Luik 11 oktober 1984, JTT 1985, 314). Voor het overige mag hij bijvoorbeeld te allen tijde een einde stellen aan zijn deelneming aan een groepsverzekering, zonder dat het loonkarakter van de werkgeversbijdrage hem verplicht dit voordeel in de toekomst te handhaven (Arbrb. Brussel 5 september 1988, JTT 1989, 78). De werknemer kan zich daartegen niet verzetten door zich tot de rechtbank te wenden. Het komt immers de rechter niet toe uitspraak te doen over de opportuniteit van het afschaffen of herleiden van een premie of voordeel; zulks behoort enkel tot de beheersbevoegdheid van de werkgever (Arbh. Brussel 26 november 1985, JTT 1986, 164). Maar wanneer het bedrag van een gratificatie mede bepaald wordt door de professionele inzet van de werknemer, vermag de rechter daarop een marginale toetsing uit te oefenen (Arbh. Antwerpen 16 januari 1992, RW 1992-93, 824).

 

 

 

 

>