Loon: lees meer dan er staat

41-2019 - 4 t.e.m.10 oktober

In veel wettelijke en reglementaire bepalingen van het sociaal recht wordt de term “loon” gebruikt. 

Tenzij het normengeheel waarvan de bepaling deel uitmaakt, daaraan een andere inhoud geeft, wordt onder “loon” in beginsel begrepen: de tegenprestatie van arbeid verricht in uitvoering van de arbeidsovereenkomst. 

De meeste toekenningen die een werkgever aan een werknemer doet, vergoeden rechtstreeks of onrechtstreeks de arbeid van de werknemer en zijn dus loon. Dat is bv. het geval met een premie of een eindejaarstoelage. 

Van vakantiegeld wordt traditioneel aangenomen dat het geen tegenprestatie is van arbeid. Tegenover vakantiegeld staan immers geen arbeidsprestaties, maar vakantiedagen, waarop uitgerekend niet wordt gewerkt. 

Wanneer de wetgever wil dat ook vakantiegeld wordt begrepen in de basis van een vergoeding waarop de werknemer recht heeft, dan volstaat het niet dat hij loon aanwijst als berekeningsbasis. Hij doet dat dan door daaraan toe te voegen dat ook “de voordelen verworven krachtens de overeenkomst” in aanmerking moeten worden genomen. Dat is meer bepaald het geval met de bepaling van de Arbeidsovereenkomstenwet die aangeeft hoe een opzeggingsvergoeding moet worden berekend: op basis van “het lopende loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst” (zie Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2018-2019, nr. 4532). 

Die traditionele, strikte benadering is echter op de helling komen te staan. Meer en meer neemt de rechtspraak aan dat wanneer het gaat om beëindigingsvergoedingen, het feit dat de wettelijke, reglementaire of cao-bepaling enkel gewag maakt van “loon” als berekeningsbasis, niet belet dat ook “de voordelen verworven krachtens de overeenkomst” moeten worden meegeteld. 

Dat is precies wat het Hof van Cassatie doet in het hieronder nader aangewezen arrest. 

Het Hogescholendecreet van 13 juli 1994, thans opgenomen in de codificatie van 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs, bepaalt dat wanneer het hogeschoolbestuur een aanstelling of benoeming beëindigt zonder inachtneming van de voorgeschreven opzeggingstermijn of motivering, aan het personeelslid een vergoeding toekomt die gelijk is aan “het lopend loon” dat overeenstemt met de opzeggingstermijn of het resterende gedeelte daarvan. 

Dat lopend loon omvat, aldus het Hof van Cassatie, niet alleen het maandloon, maar ook “alle andere krachtens de overeenkomst verworven voordelen”. “De eindejaarstoelage en het vakantiegeld zijn bijgevolg loon” in de zin van de betrokken bepaling, zo besluit het Hof. 

Merkwaardig is dat het Hof dit beslist in een context die volledig los staat van de Arbeidsovereenkomstenwet. Eerder besliste het hoogste rechtscollege inderdaad al dat die niet, zelfs niet aanvullend, van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten van onderwijzend personeel. Enig juridisch verband met de bepaling van de Arbeidsovereenkomstenwet over de berekening van de opzeggingsvergoeding is er dus niet.

Willy van Eeckhoutte. 

 

Nog vragen over het loonbegrip in het arbeids- en socialezekerheidsrecht? Stel uw vraag hier.

Bron: Cass. 9 september 2019, S.17.0045.N

Ondanks alle zorg die aan deze nieuwsbrief is besteed, blijven vergissingen mogelijk. De auteur en het advocatenkantoor Van Eeckhoutte, Taquet & Clesse kunnen daarvoor echter geen aansprakelijkheid aanvaarden.

 

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>