Ongeldig concurrentiebeding en het vermoeden van aanbreng van cliënteel

 18-2018 - 27 april - 3 mei

De wet bepaalt dat een concurrentiebeding dat voorkomt in de arbeidsovereenkomst van een handelsvertegenwoordiger, een vermoeden schept dat hij een cliënteel heeft aangebracht. De werkgever kan daarvan echter eventueel het tegenbewijs leveren.

De geldigheid van een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers hangt af van de hoogte van het jaarloon (dat moet meer bedragen dan 34.180 euro), zijn voorwerp (soortgelijke activiteiten), zijn geldingsduur (maximaal 12 maanden) en de omschrijving van zijn territoriale gelding (het gebied waarbinnen de handelsvertegenwoordiger zijn activiteit uitoefent). 

Men zou kunnen redeneren dat een concurrentiebeding dat niet aan die geldigheidsvoorwaarden voldoet, nietig is en dus niet bestaat, zodat er geen vermoeden is van aanbreng van cliënteel.

Fout, zegt het Hof van Cassatie in het hieronder vermelde arrest: de omstandigheid dat een concurrentiebeding niet voldoet aan de wettelijke geldigheidsvoorwaarden doet geen afbreuk aan het vermoeden van aanbreng van cliënteel. Het is het eerste gekende cassatiearrest in die zin (zie Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2017-18, nr. 4902). 

In de zaak waarin het Hof uitspraak deed, was het concurrentiebeding nietig omdat het niet voldeed aan de voorwaarden m.b.t. de duur en de omschrijving van de verboden activiteiten. Maar men ziet niet in dat het Hof niet tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen als de ongeldigheid het gevolg zou geweest zijn van de hoogte van het loon of de gebiedsomschrijving. 

Het arrest bevat tot slot nog een interessante overweging met betrekking tot de formulering van een concurrentiebeding. In de arbeidsovereenkomst van de handelsvertegenwoordiger waarover het in de zaak ging, was, onder het kopje “discretie- en niet-concurrentiebeding” bedongen dat de handelsvertegenwoordiger zich ertoe verbond “derden niet op de hoogte te brengen van de professionele geheimen van de werkgever en geen handeling van onwettige concurrentie te stellen of daaraan deel te nemen, noch de naam en de reputatie van de werkgever in diskrediet te brengen” (ik geef een vrije vertaling want het gaat om een Franstalig arrest). Men zou kunnen betwijfelen dat een beding dat zo is geformuleerd, wel effect sorteert na het einde van de arbeidsovereenkomst, m.a.w. dat het wel om een concurrentiebeding gaat. Het Hof van Cassatie beslist echter dat de interpretatie van het beding als een concurrentiebeding niet onverenigbaar is met de gebruikte termen. De feitenrechter mag het met andere woorden als een, weliswaar ongeldig, concurrentiebeding beschouwen.

Willy van Eeckhoutte.

Bron: Cass. 19 maart 2018, S.16.0075.F

 

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>