Als ‘t beste ‘t Fonds is

De Tijd, dinsdag 19 maart 2017, p. 8

Als ‘t beste ‘t Fonds is

Dat is in ieder geval de boodschap die de minister van Sociale Zaken uitstuurt: slachtoffers van asbestschade zijn uiteindelijk beter af met de snelle en zekere forfaitaire vergoeding van het Asbestfonds dan met een trage aansprakelijkheidsprocedure met een onzekere uitkomst.

Maar zij moeten kiezen: een vergoeding door het Fonds sluit een aansprakelijkheidsvordering uit.

Immuniteit

De wet bepaalt inderdaad dat het slachtoffer dat schadeloos werd gesteld door het Asbestfonds, geen vordering kan instellen tegen de aansprakelijke derde voor de schade met als doel daarvoor integrale schadeloosstelling te verkrijgen (art. 125, § 1, Programmawet (I) van 27 december 2006).

De immuniteit voor burgerlijke-aansprakelijkheidsvorderingen die daaruit voortvloeit, doet erg denken aan die welke de Arbeidsongevallen- en de Beroepsziektewet toekennen aan de werkgever van het slachtoffer of aan de aangestelden of lasthebbers van die werkgever die de schade hebben veroorzaakt (art. 46, § 1, Arbeidsongevallenwet en art. 51, § 1, Beroepsziektewet).

De grote verschillen zijn echter dat

  • de immuniteit van de Arbeidsongevallen- en de Beroepsziektewet enkel geldt voor de werkgever, zijn aangestelden en lasthebbers, niet voor derden, terwijl die van Asbestfondswetgeving iedere voor de schadelijke gevolgen aansprakelijke persoon uit de wind zet,
  • het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte niet de keuze heeft tussen integrale schadeloosstelling vorderen op grond van het aansprakelijkheidsrecht en genoegen nemen met de forfaitaire vergoedingen van de arbeidsongevallenverzekeraar of Fedris, maar zich in ieder geval tot beloop van die vergoedingen tot deze laatsten moet wenden, terwijl de Asbestfondswetgeving het slachtoffer toelaat te kiezen tussen beide wegen,
  • het slachtoffer van een arbeidsongeval of een beroepsziekte in elk geval van de aansprakelijke derde, die geen immuniteit geniet, vergoeding kan vragen voor de schade die niet door de toepasselijke beroepsrisicoregeling wordt vergoed, terwijl het slachtoffer dat kiest voor vergoeding van het Asbestfonds, ook dat excedent nooit kan vorderen.

Verantwoording

De immuniteitsregeling van de Arbeidsongevallenwet creëert een ongelijke behandeling door het slachtoffer van een arbeidsongeval waarvoor de werkgever (of een van zijn aangestelden of lasthebbers) aansprakelijk is, te beroven van de vordering tot integraal schadeherstel die het slachtoffer van een arbeidsongeval dat veroorzaakt werd door een derde, wel heeft. Het Grondwettelijk Hof verklaarde dat onderscheid in verschillende arresten niet discriminerend, op grond van twee motieven.

De sociale vrede bewaren

Vooreerst beoogt het toekennen van immuniteit aan de werkgever de sociale vrede en de arbeidsverhoudingen binnen de bedrijven te handhaven door een toename van het aantal processen inzake aansprakelijkheid uit te sluiten (o.a. GwH 17 januari 2008, 7/2008, B.3.2 en B.6).

Hoewel de minister van Sociale Zaken naar het eerste motief van het Grondwettelijk Hof verwijst, gaat dat niet op voor de ondernemingen die asbestschade veroorzaken. Het zijn niet enkel werknemers van een onderneming die een asbestrisico in het leven roepen, die asbestschade lijden. Een aansprakelijkheidsvordering van iemand die vreemd is aan die onderneming, kan alvast de sociale vrede aldaar niet verstoren.

Wie het risico schept, financiert al de vergoeding van de schade

En ook naar het tweede motief van het Grondwettelijk Hof kan bezwaarlijk worden verwezen. Die verantwoording voor de immuniteit van de werkgevers bestaat erin dat zij de financiering van het systeem van de vaste vergoeding waarin de arbeidsongevallenwetgeving voorziet, waarborgen aangezien zij sinds 1971 verplicht zijn een verzekering inzake arbeidsongevallen te sluiten en de kosten van de premies te dragen. De bekommernis de financiële last die hiervan het gevolg is niet te verzwaren door een eventuele gemeenrechtelijke vergoedingsverplichting, heeft de wetgever ertoe gebracht de gevallen te beperken waarin de werkgever burgerlijk aansprakelijk kan worden gesteld.

Maar het zijn niet de enkele ondernemingen die aan de basis liggen van de schade die de financiële last dragen van het Asbestfonds, ook niet die van de vergoedingen die dat fonds aan hun werknemers verschuldigd is. Dat gebeurt, althans voor een flink stuk, door alle werkgevers (art. 116, eerste lid, 1°, Programmawet (I) van 27 december 2006).

In dat opzicht is de beroepsziekteregeling een beter vergelijkingspunt: hoewel niet alle ondernemingen een risico voor beroepsziekten creëren, dragen zij alle bij tot de financiering van de beroepsziekteregeling via een bijdrage, die dan ook niet voor niets solidariteitsbijdrage wordt genoemd (art. 57 Beroepsziektewet). Mede omwille van die solidariteit worden zij alle gevrijwaard van aansprakelijkheidsvorderingen. 

Het Asbestfonds is overigens organiek opgenomen in Fedris (art. 114, § 1, eerste lid, Programmawet (I) van 27 december 2006).

Conclusie

Door alle bij te dragen tot de financiering van asbestschade zijn de ondernemingen wel erg solidair met de enkele onder hen die een asbestrisico in het leven hebben geroepen. Zij die daaraan vreemd zijn, lopen niet het risico op een aansprakelijkheidsvordering, zodat de immuniteit die de Asbestfondswet hun geeft, voor hen geen compensatie vormt. Daarentegen wordt de bijdrage van 1,01 procent van de lonen voor de ondernemingen met een asbestrisico best behoorlijk gecompenseerd door die immuniteit.

Willy van Eeckhoutte

 

Vragen over het Asbestfonds, beroepsziekten of arbeidsongevallen? Eén adres: SoConsult.

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>