Betalen om te mogen werken

De Standaard, maandag 30 maart 2020 p 2

Kunnen en mogen werken: “je zou er geld voor geven” dezer dagen.

Maar mag dat juridisch wel?

 Laten wij vooreerst de vraag goed plaatsen: in weerwil van de situatie waarop de cartoon in De Standaard alludeert, zal ik het niet hebben over de coronacrisis en de werkverzuchtingen die daarvan het gevolg kunnen zijn. Dat zou te ver voren. Al hebt u mogelijk wel wat meer tijd om stukjes zoals dit te lezen, ik stel voor dat u die tijd aan (de lectuur van) andere zaken besteedt.

De vraag die ik tracht te beantwoorden, luidt: als een werknemer zo sterk gemotiveerd is om een job te krijgen, dat hij bereid is daarvoor te betalen, mag de werkgever dat geld dan aanvaarden?

Zowel de Arbeidsovereenkomstenwet als de Loonbeschermingswet bevatten een bepaling die in dat verband relevant is.

Arbeidsovereenkomstenwet

Artikel 24 van de Arbeidsovereenkomstenwet houdt voor de werkgever (onder andere) het verbod in “als voorwaarde voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst” de “verplichting op te leggen” hem “geldsommen te overhandigen” tenzij als het zou gaan om een borgstelling van de werknemer (eerste lid).

Vóór de vervanging van zijn  tekst door de wet die het Sociaal Strafwetboek invoerde, bevatte artikel 24 van de Arbeidsovereenkomstenwet een strafbepaling: zoals zoveel bepalingen van het arbeidsrecht, maar als enig artikel van de Arbeidsovereenkomstenwet, voorzag het in de mogelijkheid van een correctionele bestraffing bij overtreding van zijn voorschriften. Sinds de inwerkingtreding van het Sociaal Strafwetboek, met ingang van 1 juli 2011, is de sanctie puur civiel: de nietigheid van strijdige bepalingen, gepaard gaande met de verplichting voor de werkgever de ontvangen bedragen terug te betalen vermeerderd met tien procent en interest.

Artikel 24 van de Arbeidsovereenkomstenwet is een bepaling die, in haar oorspronkelijke versie met een strafbepaling, werd overgenomen uit de vroegere arbeidsovereenkomstenwetten voor werklieden en bedienden. Zij gaat m.a.w. terug tot 1900. Toepassingen daarvan zijn mij onbekend.

Zoals blijkt uit de tekst van de bepaling en de nietigheidsanctie waarin zij voorziet, heeft zij betrekking op het “als voorwaarde voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst opleggen van een verplichting geldsommen te overhandigen”, m.a.w. op een “beding”. Een door de werknemer spontaan aangeboden geldsom aanvaarden, is geen beding, noch de oplegging van een verplichting door de werkgever.

Loonbeschermingswet

Artikel 18 van de Loonbeschermingswet is gelijkaardig . Het verbiedt de werkgever onder meer, vergelijkbaar met artikel 24 van de Arbeidsovereenkomstenwet, bij de indiensttreding onder welke benaming of voor welk doel ook de werknemer te verplichten “stortingen” te doen, evenals “de dienstbetrekking […] afhankelijk te stellen van enigerlei storting”. 

Maar er is een grote beperking: het verbod van artikel 18 van de Loonbeschermingswet geldt enkel ten aanzien van “de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer”...

Het artikel herneemt inderdaad een bepaling van de wet van 30 juli 1901 tot regeling van de berekening van de arbeid der werklieden. In een creatieve lezing zou men het laatste zinsdeel (“de dienstbetrekking of de voortzetting ervan afhankelijk te stellen van enigerlei storting”) kunnen loskoppelen van “de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer” en ze toepasselijk achten op alle werknemers. De beperking tot de met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer zou in deze lezing enkel gelden voor de voorafgaande verbodsbepalingen, waaronder overigens al het verbod voorkomt die werknemer “bij zijn indiensttreding” “stortingen op te leggen (zij het op fooien of bedieningsgeld). Maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 18 van de Loonbeschermingswet degelijk specifiek de werknemer beschermt die fooien ontvangt (zie het advies van de Raad van State over artikel 17 van ontwerp van wat artikel 18 van de loonbeschermingswet werd: Parl.St. Kamer 1962-63, nr. 471/1, 21 en de memorie van toelichting bij het ontwerp van wat de wet tot invoering van een sociaal Strafwetboek werd (Parl.St. Kamer 2006-2007 , DOC 51 3059/001, 334). Ook deze bepaling kreeg geen of weinig aandacht in de parlementaire voorbereiding en ik ken daarvan geen toepassingen.

Overtreding van artikel 18 van de Loonbeschermingswet is wél strafbaar, maar enkel als de werkgever “stortingen heeft opgelegd op fooien of bedieningsgeld” of daarop niet-toegelaten inhoudingen heeft verricht (art. 163, tweede lid, 2°, Sociaal Strafwetboek). “De dienstbetrekking afhankelijk stellen van enigerlei storting” door een met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer, is m.a.w. niet strafbaar.

Conclusie

Van een werknemer geld ontvangen dat die aanbiedt om te mogen werken (om toch maar niet thuis te moeten zitten) is niet strafbaar. Daarvoor van de werknemer geld vragen, is dat evenmin.

Een andere vraag is of een werknemer die betaald heeft om een job te krijgen of te mogen werken, het betaalde kan terugvorderen. Maar die behoeft geen antwoord: dat gebeurt toch alleen in cartoons van Lectrr.

 

Willy van Eeckhoutte

 

Om een vraag te stellen aan SoConsult moet je niet betalen. Dat hoeft eerst als je een voorstel van prijs en termijn hebt gekregen en daarmee akkoord gaat.

 

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>