Help, de helper verzuipt!

 De Standaard, zaterdag 2 - zondag 3 november 2019, p. E 9

 

Occasionele helpers verdienen een helpende hand van de wetgever

Hoe onduidelijk is het sociaal statuut van de occasionele werker? 

Laten wij het voor de eenvoud hebben over wie occasioneel -  d.w.z. nu en dan, zonder regelmaat - een ondernemer of onderneming helpt, een handje toesteekt zonder daarvoor een vergoeding te krijgen. Volgens Unizo worden zes van de tien occasionele helpers niet vergoed. 

Wij hebben dan te maken met een arbeidsrelatie, waarvan de kwalificatie gebeurt volgens de regels van de Arbeidsrelatieswet

Aan de hand van de algemene criteria van die wet is eenvoudig uit te maken dat in de regel sprake zal zijn van een arbeidsrelatie die gekenmerkt wordt door een gezagsverhouding tussen beide partijen: de onbezoldigde occasionele werker zal niet vrij zelf zijn arbeidstijd en de organisatie van zijn werk kunnen bepalen en zal onder de controle staan van wie hem tewerkstelt (art. 333, § 1, Arbeidsrelatieswet). 

Geen werknemer

Gaat het dus om een dienstbetrekking, dat maakt van de occasionele werker nog geen werknemer verbonden door een arbeidsovereenkomst. Daarvoor moet de arbeid ook vergoed zijn, wat bij het merendeel van de occasionele arbeid van helpers blijkbaar niet het geval is. 

Geen zelfstandige 

Een zelfstandige is een occasionele werker evenmin: hij werkt immers in een gezagsverhouding, zo nemen wij aan. 

Welk sociaal statuut dan wel? 

Betekent dit dan dat op de tewerkstelling van dergelijke occasionele werkers geen sociaalrechtelijk voorschriften van toepassing zijn? Volgens Unizo bestaat over de wetgeving die ter zake geldt, veel onduidelijkheid, maar wat die wetgeving is, maakt het artikel in De Standaard niet echt duidelijk. 

Ik beperk mij hieronder tot twee aspecten. 

Dimona 

Moet wie een niet-vergoede occasionele werker tewerkstelt, een dimona-aangifte te gebeuren? 

Op het eerste gezicht zou men denken van wel. De dimonaregeling is inderdaad niet enkel van toepassing op werknemers, maar ook op bepaalde met werknemers gelijkgestelde personen, waaronder “ de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon” (art. 2, 1°, a, Dimonabesluit).  

Maar, zo heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt, de dimonareglementering beoogt de toepassing van de Belgische socialezekerheidsbepalingen en geldt enkel voor de tewerkstelling van de personen waarop die socialezekerheidsbepalingen van toepassing zijn (Cass. 2 februari 2016, P.15.0846.N). 

Sociale zekerheid

Vraag is dus of een niet-vergoede occasionele werker valt onder de een of andere socialezekerheidsregeling. 

Niet de sociale zekerheid voor werknemers

Dat is niet het geval. Onder de uitbreidingen van het toepassingsgebied van de RSZ-wet komt geen enkele niet-vergoede werker voor. 

Dat men zich niet laat misleiden door twee regelingen waarin sprake is van occasioneel werk. 

Dat is vooral het geval met de uitsluiting van occasionele werknemers uit het toepassingsgebied van de socialezekerheidsregeling voor werknemers (art. 16 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet). Werknemers hebben inderdaad recht op loon, terwijl wij het hier hebben over niet-vergoede occasionele werkers.  

Ook de regeling van occasionele diensten voor burgers veronderstelt een vergoeding. Bovendien beperkt zij zich tot welbepaalde prestaties ten behoeve van particulieren, buiten enige ondernemingscontext (art. 20, eerste lid, 1°, a, en derde lid, Socialecohesiewet).  

Ten slotte mag men zich evenmin laten misleiden door de Flex-jobswet: flexi-jobs worden uitgevoerd door werknemers (art. 8). 

De drie voormelde regelingen hebben trouwens gemeen dat de betrokkenen niet onder de sociale zekerheid voor werknemers vallen. 

Sociaal statuut zelfstandigen? 

Geen zelfstandige 

Niet-vergoede occasionele arbeid is per definitie geen beroepsactiviteit: die laatste veronderstelt de mogelijkheid inkomsten te verwerven door een regelmatige bezigheid. Bij ontstentenis van een beroepsactiviteit is een occasionele niet-vergoede werker geen zelfstandige (art. 3, § 1, eerste lid, Sociaal Statuut Zelfstandigen). 

Geen helper van zelfstandige 

Helper dan maar? 

Helper van een zelfstandige is ieder persoon die in België een zelfstandige in de uitoefening van zijn beroep bijstaat of vervangt, zonder tegenover hem door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden (art. 6 Sociaal Statuut Zelfstandigen). Dat hij de  mogelijkheid moet hebben daardoor inkomsten te verwerven, bepaalt de wet - anders dan voor eigenlijke zelfstandigen, via de vereiste van een beroepsactiviteit - niet, maar dat lijkt even evident als dat een helper een natuurlijke persoon moet zijn, wat de wet ook niet vermeldt voor helpers. Alleen al omwille van het feit dat de niet-vergoede occasionele werker met zijn activiteit geen inkomsten kan verwerven, valt hij dus niet als helper onder de sociale zekerheid voor zelfstandigen. 

Overigens worden “de personen die slechts toevallig een bedrijvigheid uitoefenen als helper” uit het toepassingsgebied van de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen gesloten (art. 7, 4°, Sociaal Statuut Zelfstandigen). Een bezigheid als helper wordt als toevallig aangemerkt wanneer zij “niet regelmatig van aard” is en niet over tenminste negentig dagen per jaar loopt (art. 5 Uitvoeringsbesluit Sociaal Statuut Zelfstandigen). 

Zoals Caroline Deiteren van Unizo terecht opmerkt in De Standaard, kan men zich afvragen of elk jaar op of rond een bepaalde feestdag bijspringen, “niet regelmatig van aard” is. Zij stipt ook terecht aan dat enkel wie een fysieke persoon bijstaat of vervangt, een helper is (en wegens de occasionele aard van zijn hulp uit het sociaal statuut van de zelfstandigen kan worden gesloten): men kan enkel de helper zijn van een zelfstandige en die laatste hoedanigheid kunnen rechtspersonen niet hebben. Maar eigenlijk gaat dat over andere personen dan waarover ik het hier heb: niet enkel vereist de sociale rechtspositie van helpers een vergoede arbeidsverhouding, bovendien wordt die gekenmerkt door de ontstentenis van gezag (art. 6 Sociaal Statuut Zelfstandigen).  Bij niet-vergoede occasionele werkers is het omgekeerde het geval. 

Conclusie 

Dat er, zoals De Standaard meldt,  “bij de zelfstandigen heel veel onduidelijkheid is over het statuut van [...] occasionele helpers” verbaast niet.

Ik zou dat zelfs in de twee richtingen willen uitbreiden: bij iedereen die van ver of van bij bij het sociaal recht betrokken is, is  veel onduidelijkheid over de rechtspositie van occasionele werkers (en bovendien over van alles en nog wat anders…). 

Willy van Eeckhoutte

 

Weg met occasionele (en structurele) onduidelijkheden: stel uw vraag aan SoConsult. Klik hieronder.

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>