Hoe de loonblokkering deblokkeren?

 De Standaard woensdag 27 maart 2019 p. 20

 

 De Tijd woensdag 27 maart 2019 p. 4

 

Wat te doen?

 

Lenin stelde de vraag in 1902, maar ik denk niet dat de oplossing voor de situatie waarin wij gekomen zijn, nu vaststaat dat er geen interprofessioneel akkoord 2019-2020 komt, zal worden gezocht of te vinden is in het antwoord dat hij neerpende in een geschrift met die vraag als titel.

 

Zetten wij de mogelijkheden even op een rij.

 

1. Akkoord tussen de regering en de sociale partners

 

De Loonnormwet bepaalt dat bij gebreke van een interprofessioneel akkoord de regering overgaat tot bijeenroeping van de sociale partners (de wet gebruikt, met een zekere voorzienigheid, de wat afstandelijkere term “gesprekspartners”). Door overleg moet gepoogd worden een driepartijenakkoord te sluiten over de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling. Dat moet gebeuren op basis van het verslag van de Centrale raad voor het bedrijfsleven, dat die marge na herberekening optrok van 0,8 tot 1,1%. Wordt een akkoord bereikt, dan moet die marge worden vastgesteld in een algemeen bindend te verklaren collectieve arbeidsovereenkomst, te sluiten in de Nationale Arbeidsraad (art. 6, § 3, Loonnormwet).

 

Gelet op het feit dat het ABVV geen interprofessioneel akkoord wou sluiten, is het hoogst onwaarschijnlijk dat het nu wel akkoord zou gaan met een tripartite vaststelling van een loonkostennorm en de vastlegging daarvan in een interprofessionele cao. Bovendien moet een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst worden gesloten door de organisaties die zowel langs werkgevers- als werknemerskant vertegenwoordigd zijn door minstens 90 % van de leden van de Nationale Arbeidsraad (art. 5 bis, derde lid, Wet Nationale Arbeidsraad).  

 

2. Vaststelling bij koninklijk besluit

 

Bij gebreke van een tripartite akkoord binnen de maand na de bijeenroeping van de sociale partners door de regering zoals hierboven aangegeven, wordt de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling vastgelegd bij koninklijk besluit uitgevaardigd na overleg in de ministerraad (art. 7, § 1, eerste lid, Loonnormwet).

 

Op de vraag of met een regering in lopende zaken dergelijk koninklijk besluit kan worden genomen, kom ik hieronder terug.

 

3. Vaststelling bij cao tussen de “willige” werknemersorganisaties

 

De Loonnormwet bepaalt niets voor het geval de minister van Werk na overleg in de ministerraad geen loonnormbesluit wil of durft uitvaardigen.

 

Een interprofessionele cao sluiten met de twee meer willige representatieve werknemersorganisaties, het ACV en de ACLVB, is dan weliswaar mogelijk: een collectieve arbeidsovereenkomst kan worden gesloten tussen een of meer werknemers- en een of meer werkgeversorganisaties (art 5 Cao-wet). Maar dat kan, omwille van de hierboven vermelde vereisten van 90 %, niet in de Nationale Arbeidsraad. De cao kan dan ook niet algemeen bindend worden verklaard (art. 28 Cao-wet). En in de hiërarchie van de rechtsbronnen situeert dergelijke cao, die niet door een of meer werkgevers werd gesloten, zich helemaal onderaan: zij komt zelfs niet eens voor in de opsomming van artikel 51 van de Cao-wet. M.a.w. met elk van de in die opsomming wel voorkomende bronnen, zelfs een mondelinge afspraak, kan worden afgeweken van de cao, zodat die waardeloos wordt.

 

4.Vaststelling bij wet

 

Een vaststelling van de loonkostennorm bij wet is wel mogelijk. Dergelijke wet is dan te situeren buiten het mechanisme van de Loonnormwet. Daarom, maar ook omdat een wet een andere wet kan overrulen, moet die wet zich dan niet houden aan het maximum vooropgesteld in het verslag van de Centrale raad voor het bedrijfsleven.

 

Juridisch pragmatisme

 

Aangezien optie 1 en 3 geen soelaas bieden en optie 4 de Loonnormwet buitenspel zet en overigens wellicht geen meerderheid krijgt in het parlement, blijft optie 2 de meest voor de hand liggende piste.

 

Of het uitvaardigen van een koninklijk besluit dat de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling vaststelt, tot de lopende zaken behoort waarvoor een ontslagnemende regering nog bevoegd is of niet, maakt eigenlijk niet veel uit.

 

Zoals blijkt uit het artikel van Goedele de Cort in De Standaard is er politiek een ruime consensus over de 1,1 %: “Over de loonmarge zelf lijkt politiek gezien weinig discussie. Ze is met veel kunst- en vliegwerk tot stand gekomen, niemand lijkt eraan te willen tornen”. Als er geen loonnorm komt, valt men terug op vrije onderhandelingen, waarbij eerst de bedrijfstakken, vervolgens de ondernemingen zelf aan de beurt zijn: “Bonden noch werkgevers zitten daarop te wachten”. Een koninklijk besluit dat de loonnorm op 1,1 % vaststelt, heeft m.a.w. een ruim draagvlak.

 

In dezelfde lijn is, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, een regering in lopende zaken bevoegd voor zaken die zonder uitstel moeten worden opgelost. Een regering in lopende zaken mag dan ook een besluit uitvaardigen “dat onontbeerlijk is voor de uitvoering van een reeds in werking getreden wet” en waarvan het uitblijven “de uitvoering van die wet kan blokkeren”. De totstandkoming van dergelijk koninklijk besluit kan dan ook worden beschouwd als “een taak die zo vlug mogelijk moet worden afgehandeld” en op “het normale eindpunt is van een regelmatige procedure” (Cass. 4 februari 1999, C.970185.F). Hoewel het arrest op een andere aangelegenheid betrekking heeft, zou men op grond van zijn hierboven geciteerde overwegingen bijna kunnen denken dat het handelt over een koninklijk besluit dat de loonkostennorm moet vaststellen in de huidige situatie.

 

Het zou overigens bizar zijn dat een regering in lopende zaken geen einde zou mogen maken aan “de politieke impasse rond het loonakkoord“ (Jasper D’Hoore in De Tijd) en geen “ontsporingen" of “chaos” zou mogen voorkomen en geen besluit zou mogen uitvaardigen dat blijkbaar “enorm belangrijk […] is voor stabiliteit, op een moment waarop we uitdagingen als de Brexit en de klimaatopwarming het hoofd moeten bieden" (Pieter Timmermans in De Standaard).

 

Het zal wel zo zijn dat, zoals Jasper D’Hoore schrijft in De Tijd, “niet alle juristen op dezelfde lijn zitten” (niet alleen onder politici vind je altijd iemand die maar om het even wat beweert). Maar zoals de Franse hoogleraar René Demogue schreef “Le droit n’est pas fait pour les besoins de l’esprit, mais pour les réalités sociales”. Of anders uitgedrukt: het is de taak van juristen oplossingen en niet problemen te zoeken.

 

Was ik de minister van Werk, ik zou geen minuut aarzelen. Maar ik ben een jurist, hij was dat. Nu is hij een politicus.

 

Willy van Eeckhoutte

 

 

Problemen oplossen in plaats van creëren. Dat is wat SoConsult doet. Schets hier uw probleem.

 

 

 

 

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>