How far can you go (back)?

 De Morgen, maandag 30 juli 2018, p. 11

 

 

De curator van een failliete onderneming betaalt aan de gewezen werknemers daarvan “provisioneel” achterstallig loon en opzeggingsvergoedingen. Achteraf blijkt dat, wegens een onderschatting van de btw op de verkoop van activa, de werknemers meer hebben gekregen dan zij, met toepassing van de voorrechtenregeling, als schuldeisers hadden mogen ontvangen. De curator vraagt hun het teveel ontvangene terug te betalen. Alvast twee van de gewezen werknemers zijn niet van plan dat te doen. Het faillissement dateert immers al van 23 jaar geleden. Dat is het verhaal van Douglas De Coninck in De Morgen.

Waar de onderzoeksjournalist niets over zegt, maar wat de onmiddellijke reflectie is van een onderzoeksjurist, is: hoever kan de curator wel teruggaan in de tijd om onverschuldigd betaald loon terug te vorderen van werknemers? M.a.w. wat is de verjaringstermijn en wanneer begint die te lopen?

Verjaringstermijn

Het Hof van Cassatie heeft nog niet zo lang geleden, op 10 oktober 2016, beslist dat op een vordering tot terugbetaling van onverschuldigd loon niet de bijzondere verjaringstermijnen van het arbeidsovereenkomstenrecht van toepassing zijn: vijf jaar te rekenen vanaf het feit waaruit de vordering is ontstaan en uiterlijk één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst (art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet). Van toepassing is de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, 1ste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dat is overigens de verjaringstermijn die van toepassing is op alle persoonlijke rechtsvorderingen als geen bijzondere termijn is voorgeschreven.

1996, het jaar van het faillissement, is alvast meer dan tien jaar geleden en dat zal ook wel het geval zijn met de betaling van de lonen en de opzeggingsvergoeding, neem ik aan.

Aanvangstijdstip

Maar wanneer begint de verjaringstermijn van tien jaar te lopen? Artikel 2262bis, § 1, 1ste lid, van het Burgerlijk Wetboek zegt daarover niets.

In beginsel begint een verjaringstermijn van een vorderingsrecht te lopen vanaf het ogenblik waarop het recht opeisbaar is. Bij een onverschuldigde betaling is dat in beginsel het tijdstip waarop die betaling werd verricht. Dan immers ontstaat de verplichting tot terugbetaling (art. 1376 Burgerlijk Wetboek).

Uit de rechtspraak en de rechtsliteratuur blijkt echter dat een latere gebeurtenis het vertrekpunt van de verjaringstermijn van een vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd werd betaald, kan uitstellen tot op de datum waarop degene die de terugbetaling vordert, kennis krijgt van dat latere feit. Men zou hier kunnen denken aan het ogenblik waarop de curator vaststelt dat de tegeldemaking van de activa eigenlijk onvoldoende heeft opgebracht om de werknemers te betalen wat zij al “provisioneel” hebben ontvangen. Maar die rechtspraak en literatuur leert dat voor dat uitstel van het aanvangstijdstip twee voorwaarden gelden: (1) de latere gebeurtenis moet de betaling retroactief onverschuldigd maken en (2) de latere gebeurtenis moet een wettelijk beletsel uitmaken voor de kennis van de onverschuldigdheid door wie wil terugvorderen. De latere gebeurtenis is hier blijkbaar de onvoldoende opbrengst van de verkoop van de activa als gevolg van een onderschatting van de btw op de verkoop…

Dat de onvoldoende opbrengst van de verkoop de betaling van het teveel aan lonen en opzeggingsvergoedingen retroactief onverschuldigd heeft gemaakt, valt misschien nog te argumenteren. Maar of die onvoldoende opbrengst voor de curator een “wettelijk beletsel” is om te weten wat de btw bij verkoop van de activa zal zijn en dus het geld dat beschikbaar is om de werknemers te vergoeden, is dat al veel minder.

Mouw

Geconfronteerd met de weigering van de twee werknemers terug te betalen, zegt de curator “Ik ga volgende week hier een mouw aan te passen". Zelf zou ik in zijn plaats ook trachten iets anders uit mijn mouw te schudden.

 

Willy van Eeckhoutte

 

>