Antwoord

Algemeen

Als beoefenaar van een vrij beroep was u zelfstandige en valt u onder de Pensioenwet Zelfstandigen (het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen). Het rustpensioen als zelfstandige komt toe aan zelfstandigen die bijdragen betalen in hoofdberoep (artikel 1 Pensioenwet Zelfstandigen). Ik ga ervan uit dat dit voor u het geval was.

Het rustpensioen van een zelfstandige wordt bepaald op grond van de loopbaan, de beroepsinkomsten en de gezinstoestand. (art. 127, § 2 en § 3, Wet Harmonisering Pensioenregelingen, d.i. de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, en art. 4 – 6 Wet Modernisering Zelfstandigenpensioenen, d.i. het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenen en van artikel 3, § 1, 4° van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie). Uw vraag heeft betrekking op de eerste twee elementen ter berekening van het rustpensioen van een zelfstandige.

Loopbaan

De loopbaan omvat zowel de werkelijke periodes van beroepsactiviteit als zelfstandige, als de periodes van non-activiteit die daarmee gelijk worden gesteld. Bepaalde periodes tijdens welke de zelfstandige geen beroepsbezigheid uitoefent, kunnen inderdaad gelijk worden gesteld met werkelijke beroepsactiviteiten (art. 14 Pensioenwet Zelfstandigen en art. 28 – 37 Pensioenbesluit Zelfstandigen, d.i. het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen).

Voor de gelijkstelling gelden een aantal voorwaarden, die ik hieronder toepas op de studiejaren waarvoor u gelijkstelling wenst te vragen:

-           u mag na het einde van uw studies geen activiteit als werknemer hebben uitgeoefend, want anders moeten de studiejaren in de werknemersregeling worden gelijkgesteld;

-           de studiejaren mogen niet in aanmerking zijn genomen voor een eventueel pensioen als ambtenaar waarop u eveneens aanspraak zou kunnen maken;

-           u mag tijdens de studieperiodes geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend, ook niet via een tussenpersoon;

-           u moet na de studieperiode de hoedanigheid van zelfstandige (en dus niet die van werknemer of ambtenaar) hebben gekregen;

-           u moet de gelijkstelling aangevraagd hebben, wat u, zo meen ik uit uw vraag te kunnen afleiden, ook effectief hebt gedaan.

 

Beroepsinkomsten

Het rustpensioen van een zelfstandige wordt voorts berekend op basis van de beroepsinkomsten (artikel 45, 46 en 51 Pensioenbesluit Zelfstandigen en artikel 126 Wet Harmonisering Pensioenregelingen). Hierbij dient een opsplitsing te worden gemaakt tussen de periode vóór 1984 en de periode vanaf 1984.

Voor de gelijkgestelde periodes waren er vanzelfsprekend geen werkelijke beroepsinkomsten, zodat daarvoor met fictieve inkomsten rekening wordt gehouden. Voor studieperiodes is het fictief jaarlijks inkomen gelijk aan het inkomen dat als basis heeft gediend voor de berekening van de verschuldigde bijdragen om de gelijkstelling te kunnen verkrijgen.

 

Conclusie

De RSVZ moet voor de berekening van uw rustpensioen als zelfstandige rekening houden met de door u geregulariseerde studiejaren, zowel voor wat betreft de loopbaan, als wat betreft de hoogte van de beroepsinkomsten.

Opmerking. Als de beslissing van het RSVZ negatief is, dient u binnen drie maanden beroep aan te tekenen.

 

 

>