Sociaal Compendium Arbeidsrecht - Corpus - Arbeidsbescherming - Arbeidsduur - 

 

 Afdeling V. Rusttijden

(art. 38ter  Arbeidswet)

1706 Beginsel

De werknemers hebben in elk tijdvak van 24 uur tussen de beëindiging en de hervatting van de arbeid recht op ten minste 11 opeenvolgende uren rust.

Zie wat de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de naleving van de rusttijd betreft nr. 72.

Van dit recht kan worden afgeweken:

  • in geval van arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval zowel door de werknemers van de onderneming als voor rekening van een derde;
  • in geval van dringende arbeid aan machines of materieel voor zover de uitvoering ervan buiten de arbeidsuren onontbeerlijk is om een ernstige belemmering van de normale werking van het bedrijf te voorkomen, zowel door werknemers van de onderneming als voor rekening van een derde;
  • in geval van arbeid die door een onvoorziene noodzakelijkheid wordt vereist;
  • voor werkzaamheden die gekenmerkt worden door opgesplitste werkperiodes;
  • in geval van continuarbeid of van arbeid in opeenvolgende ploegen en uitsluitend in het geval van wisseling van ploegen; het is evenwel verboden om een werknemer in twee opeenvolgende ploegen tewerk te stellen;
  • in de gevallen bepaald bij een bij KB algemeen verbindend verklaarde cao.

Het toepassingsgebied van de regeling inzake de rusttijden is hetzelfde als dat van de arbeidsduurregeling (zie nr. 1615).

>