Tolerantie m.b.t. manier van verrekenen van het vertrekvakantiegeld van een bediende

    45-2021 - 5-11 november
Eerder dit jaar brachten wij u op de hoogte van een wijziging in de administratieve praktijk van de verrekening van het vertrekvakantiegeld bij een bediende die van werkgever is veranderd. De wijziging bestaat erin dat het enkel vertrekvakantiegeld door de nieuwe werkgever voortaan moet verrekend worden in elke maand waarin de bediende bij de werkgever één of meerdere vakantiedagen neemt.  Vroeger was het de courante praktijk het vertrekvakantiegeld in één keer af te trekken op het ogenblik dat de bediende zijn hoofdvakantie opneemt (zie SoCompact nr. 12-2021; zie ook Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2021-2022, nr. 1976).

In zijn advies  nr. 2.242 van 28 september 2021 gaat de Nationale Arbeidsraad ervan uit dat de eenmalige verrekening een probleem doet rijzen ten opzichte van de bepaling van de Loonbeschermingswet die de gevallen beperkt waarin inhoudingen op het loon mogen gebeuren. Vertrekvakantiegeld komt in die bepaling inderdaad niet voor. Maar de werkgever die, zoals de vakantiewetgeving voorschrijft, het vertrekvakantiegeld in mindering brengt van het vakantiegeld van de maand waarin de bediende zijn hoofdvakantie neemt, trekt niet af van loon, maar van vakantiegeld, dat voor de toepassing van de Loonbeschermingswet immers geen loon is.  Ook het enkel vakantiegeld, dat overeenstemt met de normale bezoldiging voor de vakantiedagen, is geen loon. Wanneer echter de bediende in de maand waarin hij zijn hoofdvakantie neemt, ook nog heeft gewerkt, bv. omdat zijn hoofdvakantie maar twee weken was, en hij voor die maand dus ook recht heeft op loon, mag het vertrekvakantiegeld op het “echte” loon niet in mindering worden gebracht. Het in een keer aftrekken van het enkel vertrekvakantiegeld van het bedrag (= loon + vakantiegeld) dat de werknemer toekomt voor de hoofdvakantiemaand, kan dus in  strijd zijn met de Loonbeschermingswet wanneer daardoor van  “echt” loon vakantiegeld wordt afgetrokken, maar alleen in dat geval.

In zijn voormeld advies vraagt de Nationale Arbeidsraad de uitvoering van de nieuwe manier van verrekenen uit te stellen. De eenmalige verrekening van het vertrekvakantiegeld is volgens de raad een administratieve praktijk die al 50 jaar bestaat en die niet van de ene dag op de andere kan veranderd worden. De raad verbindt zich ertoe uiterlijk 31 maart 2022 met een voorstel voor een oplossing te komen en vraagt dat tot dat die oplossing wordt uitgevoerd een tolerantiebeleid t.o.v. de huidige praktijk wordt gehanteerd.

In zijn tussentijdse instructies van 3 november 2021 verwijst de RSZ naar de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg voor meer informatie i.v.m. een toepassing van een tolerantie (sic).

Voorlopig levert een zoekopdracht naar meer informatie over die tolerantie op de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg niets op ...
Het lijkt evenwel bijzonder onwaarschijnlijk dat in deze omstandigheden gevolg zou worden gegeven aan een klacht van een bediende over de verrekening van zijn vertrekvakantiegeld bij het Toezicht op de Sociale Wetten.

En dat is maar goed ook.
Ann Taghon.
BRON: Administratieve instructies RZS 2021/3 – Tussentijdse instructies.
Advies nr. 2.242 van 28 september 2021 van de Nationale Arbeidsraad over de regularisering van het vertrekvakantiegeld

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>