Cursorisch lezen in de Loonnormwet

De Tijd dinsdag 20 april 2020, p. 8.

De regering is blijkbaar van oordeel dat in ondernemingen die tijdens de coronacrisis “goed hebben geboerd” ruimte moet zijn voor “eenmalige extra’s”.

Dat is inderdaad wat te lezen staat in een “gemeenschappelijke verklaring van de werkgeversorganisaties VBO, Unizo, UCM, Boerenbond en Unisoc n.a.v. de regeringsbeslissingen over de welvaartsenveloppe en de loonnorm”: de regering besliste

de loonnorm vast te leggen op 0,4%, zoals voorzien binnen het kader van de wet van 1996. De sociale partners krijgen wel nog de tijd tot eind april om desgevallend ook nog de contouren te bepalen van een eenmalige en tijdelijke vergoeding voor werknemers in bedrijven die goed gepresteerd hebben”.

Dat die ruimte er zonder “een nationaal akkoord” niet komt, blijkt niet echt uit die tekst, maar is in ieder geval wat De Tijd heeft begrepen.

Eenmalige extra’s

Maar waar in de wet staat die mogelijkheid om interprofessioneel ruimte te creëren voor “eenmalige extra’s” te lezen?

Alvast niet in de wettelijk omschrijving van wat dient te worden begrepen onder “loonkosten”:

de totale vergoeding in geld of in natura, die door een werkgever aan werknemers verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een referentieperiode hebben verricht.”

(art. 2, derde gedachtestreepje, Loonnormwet)

Ik lees de ruimte voor eenmalige extra’s evenmin in artikel 6 van de wet.

In § 1 van artikel 8 lees ik dat de op sectoraal niveau te sluiten cao’s over de loonkostenontwikkeling rekening kunnen houden met “de economische mogelijkheden van de sector”. Van dergelijke mogelijkheid op interprofessioneel vlak is nergens sprake.

In artikel 10 van de Loonnormwet lees ik niet dat voor de berekening van de loonkostenontwikkeling een “eenmalige en tijdelijke vergoeding” niet meetelt. (Is overigens wat eenmalig is, niet per definitie ook tijdelijk?)

Zelfs bij de bepaling van de sociaalrechtelijke behandeling van de “eenmalige extra’s” bij uitstek die de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen zijn, wordt niet vermeld dat zij niet in aanmerking komen voor de berekening van de loonkostenontwikkeling (art. 11 wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008).

Alleen sociale partners en niet de regering?

Ook lees ik nergens in de wet dat, als “eenmalige extra’s” dan toch niet zouden moeten meetellen voor de berekening van de loonkostenontwikkeling, daarvoor een “nationaal akkoord” zou vereist zijn. Ik zie m.a.w. op basis van de wet geen juridisch beletsel voor de regering om – als die uitsluiting überhaupt al zou kunnen - daartoe zelf te beslissen als zij, bij ontstentenis van een “nationaal akkoord” dienaangaande, met een in de ministerraad overlegd besluit de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling voor 2021 en 2022 vastlegt in uitvoering van artikel 7, eerste lid, van de Loonnormwet. Die wet geeft de sociale partners op dit punt niet meer, eh… marge dan de regering.

Begrijpend vs. cursorisch

Maar misschien is mijn zicht met het voortschrijden van de jaren niet zo goed meer en lees ik over wat ik zoek. Of, erger nog, misschien moet ik dringend een cursus begrijpend lezen volgen.

Die laatste zou dan eraan herinneren dat, zoals joden het Oude Testament maar kunnen lezen met de rabbijnse commentaren van de Talmoed en moslims de Koran met de aanvullingen van de Hadith, Belgen de Loonnormwet maar kunnen begrijpen met administratieve interpretaties en omzendbrieven. Ook van deze laatste zal de blijde boodschap zijn: lees niet wat er staat.

Voor de regering, de sociale partners en de kranten is een cursus begrijpend lezen overbodig: zij lezen toch maar cursorisch.

 

Willy van Eeckhoutte

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

>