Is het niet “Gegeven blijft gegeven”?

De Standaard vrijdag 17 december 2021, p. 19.


Loopt een werknemer die ontslagen is met een opzeggingsvergoeding ook naar Belgisch recht het risico die te moeten terugbetalen als achteraf blijkt dat hij een zware fout heeft begaan?

Veronderstel dat je werkgever bent en dat je je verplicht voelt een werknemer op staande voet te ontslagen omwille van een zware fout waarvan je overtuigd bent dat hij die heeft begaan. Maar omdat de werknemer de fout ontkent en je daarvan op geen enkel manier een sluitend bewijs kunt leveren, betaal je hem, zij het met forse tegenzin en nog grotere frustratie, een opzeggingsvergoeding. Inderdaad, een fout die niet kan worden bewezen, zelfs niet door vermoedens, bestaat nu eenmaal niet, althans niet in rechte. Dat doet pijn.

Maar veronderstel dat achteraf toch een bewijs van de zware fout opduikt. Juridisch komt het bestaan van de zware fout m.a.w. wel vast te staan. Kan je dan van de werknemer de opzeggingsvergoeding terugvorderen?

De regel

 In de regel zal dat niet kunnen. Een ontslag kan niet eenzijdig, d.w.z. zonder het akkoord van de wederpartij bij de arbeidsovereenkomst, ongedaan worden gemaakt. En eenmaal een ontslag zonder opzeggingstermijn is gegeven zonder dat tijdig een dringende reden is ingeroepen en van die reden tijdig en regelmatig kennis is gegeven, blijft juridisch een onregelmatig ontslag, wat aanleiding geeft tot het verschuldigd zijn van een opzeggingsvergoeding (art. 39, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet).

De werknemer (opnieuw) ontslaan, dit keer wegens dringende reden, kan natuurlijk ook niet: de arbeidsovereenkomst is al beëindigd.

Wachten tot het bewijs van de zware fout kan worden geleverd, is evenmin een optie. De termijn van drie werkdagen om tot ontslag wegens dringende reden over te gaan, begint te lopen bij de kennisneming van de fout, niet bij de kennisneming van het bewijs daarvan (art. 35, derde lid, Arbeidsovereenkomstenwet).

Uitwegen

Dwaling of bedrog?

De zaken zouden enkel anders kunnen liggen als de werkgever erin zou slagen te doen aannemen dat het ontslag waartoe hij overging, door dwaling of bedrog is ingegeven. De geldigheid van de eenzijdige rechtshandeling die een ontslag is, vereist inderdaad een geldige wilsuiting, die niet door enig wilsgebrek is aangetast (vgl. art. 1109 Oud B.W.). Zo zou bv. een ontslag wegens dringende reden dat de werknemer uitlokte door te veinzen dat hij een zware fout beging, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake was, kunnen worden nietig verklaard.

Het valt echter te betwijfelen dat de werknemer die een fout ontkent waarvan zijn werkgever hem beschuldigt, of die daarover liegt, zich schuldig maakt aan bedrog op grond waarvan het ontslag dat daarop volgt en dat bij ontstentenis van bewijs noodgedwongen gegeven wordt met betaling van een opzeggingsvergoeding, nietig zou kunnen worden verklaard. Men kan van een werknemer voor wie ontslag op staande voet dreigt, niet vragen dat hij zichzelf beschuldigt.

Overigens zou een nietigverklaring een nieuw probleem doen rijzen. Als het ontslag vernietigd wordt, is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. De werkgever zou dan binnen drie werkdagen na de ontdekking van het bedrog, de werknemer die hij al heeft ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding, nog eens moeten ontslaan wegens dringende reden en dat vooraleer de arbeidsrechtbank de nietigheid van het ontslag heeft kunnen uitspreken. De dringende reden kan dan het ontdekte bedrog van de werknemer zijn. Gaat de werkgever niet tijdig om dringende reden over tot een nieuw ontslag, dan blijft hij met de werknemer zitten totdat hij die een andere keer opnieuw ontslaat. Maar als geen nieuwe dringende opduikt, zal hij dan een opzeggingstermijn in acht moeten nemen of een opzeggingsvergoeding moeten betalen, al kan hij natuurlijk altijd ook bidden dat de werknemer vroeg of laat zelf opstapt.

Onverschuldigde betaling?

Wie bij vergissing of met zijn weten iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, is verplicht het terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was, aldus artikel 1376 van het Oud Burgerlijk Wetboek.

Omgekeerd is de persoon die bij vergissing meende schuldenaar te zijn en daarom een schuld heeft betaald, gerechtigd het betaalde van de schuldeiser terug te vorderen, zo luidt het eerste lid van artikel 1377 van het Oud Burgerlijk Wetboek.

Toch brengt de figuur van de onverschuldigde betaling hier geen soelaas. Gelet op het ontslag dat de werkgever gaf zonder opzeggingstermijn in acht te nemen en zonder een dringende reden in te roepen, was de opzeggingsvergoeding wel degelijk verschuldigd aan de werknemer. En de werkgever meende niet bij vergissing schuldenaar te zijn van een opzeggingsvergoeding, maar was daarvan effectief schuldenaar gelet op de wijze van ontslag.

Enkel nietigheid van de ontslagvorm?

 (Al te) creatieve juristen zouden eraan kunnen denken op de kar te springen van de partiële nietigheid, die de laatste maanden aan het bolderen is gegaan in het burgerlijk recht. De redenering zou dan zijn dat niet het door bedrog aangetaste ontslag als zodanig nietig zou zijn, maar enkel de vorm waarin het werd gegeven. Die kar knalt echter onvermijdelijk tegen de muur van de ontslagfiguur. Het ontslag waartoe de werkgever overging met betaling van een opzeggingsvergoeding, heeft immers geen vorm: het is een onregelmatig ontslag, want zonder opzeggingstermijn in acht te nemen of rechtsgeldig een dringende reden in te roepen. Dat vormt precies de verklaring voor het verschuldigd zijn en de betaling van een opzeggingsvergoeding. Een gedeeltelijke nietigverklaring van een onregelmatig ontslag kan, gesteld dat partiële nietigverklaring van een ontslag überhaupt al zou mogelijk zijn, onmogelijk tot gevolg hebben dat het ontslag een regelmatig ontslag wordt, bijvoorbeeld een regelmatig ontslag wegens dringende reden.

Conclusie

De werknemer die over de fout die geleid heeft tot zijn ontslag, gelogen heeft met als gevolg dat de werkgever hem bij ontstentenis van bewijs ontsloeg met betaling van een opzeggingsvergoeding, kan die dus behouden na de ontdekking van zijn bedrog. Al is dat niet netjes, hij kan de werkgever die om terugbetaling van de opzeggingsvergoeding vraagt, al dan niet met een grijns op het gezicht tegenwerpen: “Gegoven is gegoven”.

Maar waarom is Steve Easterbrook dan bezweken voor de eis van McDonald’s de (slik) 105 miljoen dollar opzeggingsvergoeding die hij heeft ontvangen, terug te betalen? Niet omdat hij, gelet op zijn ontslag, de anti-intimidatietraining niet heeft kunnen volgen die McDonald’s sindsdien aan zijn medewerkers aanbiedt. Wel omdat een van de clausules in Easterbrooks ontslagovereenkomst blijkbaar bepaalde dat wanneer de ceo niet de waarheid sprak, het concern zijn “gouden handdruk” kan terugeisen (De Standaard, 10 augustus 2020).

Ook wanneer McDonald’s een deal maakt, is die dus big. Maar dan voor haar.

Willy van Eeckhoutte

Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

Klik hier voor de afleveringen van voor 1 januari 2018.


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

SoConsult gebruikt cookies
Net als andere websites, houden wij van cookies. De cookies die we gebruiken, dienen voornamelijk om jouw ervaring op onze website te verbeteren. We gebruiken ook cookies omdat we graag meten hoe onze website wordt bezocht. We plaatsen deze cookies alleen, wanneer je voorafgaande toestemming hebt gegeven. Cookie policy