Verzelfstandigde afhankelijkheid


Van onder- naar werknemer?

De Tijd zaterdag 1 juli 2023 p. 3

Toen ik de titel van onderstaand opiniestuk van Danny Van Assche las, “Breng zelfstandigen niet onder in zelfde statuut als werknemers”, dacht ik dat dit zijn reactie was op het artikel hierboven over de “verzelfstandiging” van de winkels van Delhaize. Ik had namelijk zelf precies die reactie. Bij het lezen van de tekst van de bijdrage van Danny Van Assche bleek die over iets anders te gaan.

De Tijd donderdag 6 juli 2023 p. 9


Toch blijf ik bij mijn eigen eerste reactie op het artikel van Jens Cardinaels: breng zelfstandigen niet in hetzelfde statuut als werknemers. Als wat Jens Cardinaels schrijft in De Tijd klopt, zet Delhaize alvast een (bijkomende?) stap in de richting van het werknemersstatuut. De verplichting producten van de wederpartij af te nemen, een beperking van de keuzevrijheid, de oplegging van maximumprijzen, ingrepen in het kassasysteem, een spreekverbod, boetes … het zijn zaken die geregeld aan bod komen in discussies over de kwalificatie van de samenwerking en in heel wat rechterlijke uitspraken terug te vinden zijn als indicaties van ondergeschikt verband.

Bij Delhaize lijkt het te gaan om of in de richting van wat men hard franchising noemt. Maar als alles, om de termen van Pascal Dendooven in onderstaand artikel uit De Standaard te gebruiken, “van A tot Z geregeld is”, heeft men dan niet, zoals hij schrijft, te maken met een veredelde gerant? Vaak zijn winkelgeranten inderdaad werknemers of worden zij als zodanig geherkwalificeerd. Ook franchiseovereenkomsten worden soms bevonden verdoken arbeidsovereenkomsten te zijn.

De Standaard vrijdag 7 juli 2023, p. 18

Geen talent voor ondergeschiktheid

De uitbaters van Delhaizewinkels zal men, ook als men de weg opgaat die Jens Cardinaels schetst, niet vlug als werknemers kwalificeren. Niet alleen hebben zij daarvoor niet het talent, ook een toetsing aan de algemene criteria die de wet hanteert, zal wellicht niet direct tot de conclusie leiden dat er ondergeschikt verband is: de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, de vrijheid van organisatie van de werktijd en van het werk en de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen (art. 331, § 1, Arbeidsrelatieswet). Bovendien staan in deze aangelegenheid tussen droom en daad vaak vennootschappen in de weg en de praktische bezwaren verbonden aan het voeren van een herkwalificatieprocedure.

 “Een volbloed zelfstandige is niet gebonden door een gezagsverhouding” schrijft Danny Van Assche en hij heeft het over “gezag in de vorm van toezicht, aansturing of begeleiding”.  Maar worden, om maar één voorbeeld te noemen, bedrijfsleiders en vennootschapslasthebbers voor de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidsregeling vermoed zelfstandigen te zijn, heel wat personen die ook het reilen en zeilen van een onderneming bepalen, kiezen voor en komen weg met een arbeidsovereenkomst. Waarom zouden zij wel gebonden zijn door een gezagsverhouding, en zou dat met franchisenemers-fysieke personen bij wie “alles van A tot Z geregeld is” niet het geval kunnen zijn?

Dat er, zoals Danny Van Assche schrijft, “grote verschillen in het regelgevend kader” en historische verschillen in de sociale zekerheid tussen werknemers en zelfstandigen zijn, is natuurlijk juist. Maar dat is het gevolg van het hanteren van gezag als onderscheidingscriterium. Zoals ook de uiteenlopende uitspraken over de sociale rechtspositie van platformwerkers aantonen, is de grens tussen werknemers en zelfstandigen vandaag in meer en meer gevallen zo vaag, dat er voor het aanhouden van gezag als onderscheidingscriterium minder en minder legitieme redenen zijn.

Met andere woorden: het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding is een achterhaald ijkinstrument.

Van werk- naar ondernemer

Het is juist dat het eerder aangewezen lijkt dat “het werknemersstelsel opschuift in de richting van de zelfstandigen” dan omgekeerd. Maar dat hoeft toch niet te impliceren dat zelfstandigen elke bescherming moeten worden ontzegd? Ik geef twee voorbeelden. Wie verbonden is door een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking die gesloten is voor onbepaalde tijd, verdient bijvoorbeeld toch ook een redelijke opzeggingstermijn of, als die niet wordt nageleefd, een opzeggingsvergoeding? En waarom zou het geoorloofd moeten zijn de samenwerking met een zelfstandige om kennelijk onredelijke motieven te beëindigen? De bescherming van zelfstandigen mag wel, om het in hun termen te zeggen, "ietsje meer zijn". Dat betekent natuurlijk niet dat de overdreven talrijke en gedetailleerde regels die geacht worden werknemers te beschermen, tot zelfstandigen zouden moeten worden uitgebreid. In dat opzicht mag het toch wel (meer dan) ietsje minder zijn.

En wat de sociale zekerheid betreft, zegt Danny Van Assche het zelf: de verschillen zijn al (grotendeels) weggewerkt. Waarom dan nog een aparte sociale zekerheid voor zelfstandigen?

 Willy van Eeckhoutte



Archief

Gebruik het zoekvenster bovenaan rechts om te zoeken in de vorige afleveringen(vanaf 1 januari 2018).

contacteer info@soconsult.be voor afleveringen van vóór 1 januari 2018


Inschrijven

Vorige artikels


Andere kanalen

SoConsult gebruikt cookies
Net als andere websites, houden wij van cookies. De cookies die we gebruiken, dienen voornamelijk om jouw ervaring op onze website te verbeteren. We gebruiken ook cookies omdat we graag meten hoe onze website wordt bezocht. We plaatsen deze cookies alleen, wanneer je voorafgaande toestemming hebt gegeven.